Technieken
Stempelen, distressen, embossing, mixed media, naaien en lagen. De vragen die scrappers het vaakst stellen, met een kort en eerlijk antwoord.
Hoe werkt warm embossen?
Bij warm embossen stempel je met inkt die lang nat blijft, strooi je er embossingpoeder over en smelt je dat met een heat tool tot een verhoogd, glanzend motief. Een heat tool is een heteluchtpistool voor hobbywerk.
- Stempel met embossinginkt of pigmentinkt.
- Strooi ruim poeder over de natte afdruk.
- Tik het overtollige poeder op een gevouwen vel papier en giet het terug in de pot.
- Veeg losse korreltjes weg met een droog penseeltje.
- Laat de heat tool even warm worden en houd hem een paar centimeter boven het papier. Beweeg rustig en stop zodra het poeder glanst.
Een föhn werkt niet goed: hij wordt niet heet genoeg en blaast het poeder weg.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Welke stempels zijn het handigst als je net begint?
Clear stamps op een acrylblok zijn voor beginners het makkelijkst. Clear stamps zijn doorzichtige stempels van fotopolymeer of silicone. Je ziet precies waar je stempelt, ze zijn betaalbaar en ze nemen weinig ruimte in.
Rubberstempels, los of op hout, geven vaak een iets scherpere afdruk en gaan heel lang mee. Ze zijn wel duurder en zwaarder om op te bergen.
Begin met een paar veelzijdige sets: korte teksten, eenvoudige vormen en een achtergrondstempel. Motieven met duidelijke lijnen lukken het best.
Geeft een nieuwe clear stamp een vlekkerige afdruk? Wrijf het oppervlak dan licht op met een gum. Zo verdwijnt het gladde laagje en pakt de inkt beter.
Lees ook: Stempelen voor beginners: zo krijg je een scherpe afdruk
Hoe stempel je een afbeelding in meerdere kleuren of lagen precies op elkaar?
Gebruik een stempelpositioneerder (stamp positioner): daarmee zet je een tweede stempel of een tweede afdruk op precies dezelfde plek. Zo passen de lagen op elkaar.
- Stempel eerst de lichtste kleur en laat hem drogen, en pas daarna de donkerste.
- Plak het papier met een stukje tape vast, zodat het niet verschuift.
- Leg het papier in de hoek van de positioneerder, stempel, haal de stempel weg en herhaal met de volgende laag.
- Maak eerst een proefafdruk op kladpapier om te zien of de lagen aansluiten.
- Gebruik voor de onderste laag een inkt die niet uitloopt, zoals pigmentinkt of een goed gedroogde dye-inkt.
Een klein verschil tussen de lagen kun je verbergen met een dun streepje inkt of een gestempelde schaduw.
Lees ook: Stempelen voor beginners: zo krijg je een scherpe afdruk
Welke lak en welke zegelstempel kies je voor een lakzegel?
Kies lakkorrels of lakstaven in de kleur die je wilt, en een zegelstempel van metaal. Voor post neem je flexibele lak.
- Lakkorrels smelt je in een lepeltje boven een waxinelichtje. Je kunt de hoeveelheid goed doseren.
- Lakstaven gebruik je in een lijmpistool of met een lont. Dat gaat snel, maar de lak wordt makkelijk te heet.
- Flexibele lak breekt minder snel en is bedoeld voor enveloppen die je verstuurt.
- Een zegelstempel heeft een kop van metaal, meestal messing, op een houten of metalen handvat. Rubberen en clear stamps vervormen door de hitte.
- De grootte van de kop bepaalt hoeveel lak je nodig hebt. Voor een kop van 2,5 cm zijn een paar korrels meestal genoeg.
Begin met een startset met een paar kleuren en één stempel.
Welke inkt gebruik je om te embossen?
Je hebt inkt nodig die lang nat blijft, zodat het poeder eraan blijft plakken. Dat kan embossinginkt zijn of pigmentinkt.
- Embossinginkt is kleurloos of licht getint en droogt heel langzaam. Combineer hem met gekleurd poeder, zoals wit, goud of zwart.
- Pigmentinkt in een kleur combineer je met transparant poeder. Dan krijgt de inktkleur een glanzend, verhoogd laagje.
- Dye-inkt droogt te snel en is daarom minder geschikt.
Wil je een handgeschreven titel embossen? Daar zijn embossingpennen voor. Schrijf een klein stukje en strooi meteen poeder over de natte lijnen, anders is de inkt al opgedroogd.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Wat is het verschil tussen dye-inkt, pigmentinkt en distress-inkt?
Dye-inkt trekt in het papier en droogt snel. Pigmentinkt blijft bovenop liggen en droogt langzaam. Distress-inkt is een soort dye-inkt die lang nat blijft en bedoeld is om te blenden.
- Dye: transparant, scherp in details en snel droog. Sommige soorten verbleken of lopen uit bij water. Er bestaan ook waterproof varianten.
- Pigment: dik, dekkend en lichtecht, en zichtbaar op donker papier. Op gecoat of glanzend papier droogt hij slecht. Embossen lost dat op.
- Distress: reageert op water, laat zich zacht in elkaar overvloeien en geeft een verweerde, vintage look.
Kies dus op basis van je papier en het effect dat je zoekt.
Lees ook: Welke stempelinkt kies je? Dye, pigment en distress uitgelegd
Wat is het verschil tussen warm en koud embossen?
Bij warm embossen smelt je poeder tot een verhoogd laagje bovenop het papier. Bij koud embossen vervorm je het papier zelf, zonder hitte.
Koud of droog embossen doe je met een embossingfolder in een stansmachine. Met de hand kan het ook: dan druk je met een stylus het papier in de opening van een sjabloon, op een lichtbak.
Koud embossen werkt het best op stevig cardstock. Dun papier scheurt sneller. Besproei de folder licht met water voor een dieper reliëf met minder kans op scheuren. Wrijf daarna met inkt over de verhoogde delen, dan springt het motief er meer uit.
Warm embossen gaat op cardstock, designpapier en tags.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Hoe geef je papier verweerde randjes?
Schraap met een distresstool of met het open blad van een schaar schuin langs de rand. Zo komen de vezels los en wordt de rand rafelig.
Dep of veeg daarna wat inkt langs de rand, bijvoorbeeld bruine of donkere distress-inkt. Gebruik een blending tool of strijk het stempelkussen voorzichtig langs de rand.
Nog meer variaties:
- Scheur het papier in plaats van het te knippen, voor een ruwe witte kern.
- Schuur de rand licht op met fijn schuurpapier.
- Maak de rand een beetje vochtig en rol hem om met je vinger.
Oefen eerst op een restje. Dun papier scheurt sneller dan cardstock.
Wat is gesso en waarvoor gebruik je het?
Gesso is een grondlaag op acrylbasis waarmee je papier of een ander oppervlak voorbereidt op verf en mixed media. Het papier wordt minder zuigend en iets steviger, en verf hecht beter en blijft helderder.
Je gebruikt het ook om een drukke of bedrukte pagina af te dekken, bijvoorbeeld in een journal van een oud boek. Over een achtergrond brengt het kleuren wat terug.
Er bestaat witte, zwarte en transparante gesso. Breng het dun aan met een kwast, spatel of oude pasjeskaart en laat elke laag drogen. Zwarte gesso over embellishments, met daarover wat metallic verf of mica met een droge kwast, laat het reliëf mooi uitkomen.
Lees ook: Mixed media en gesso: zo begin je met verf, pasta en lagen
Waarom blijft de lak aan mijn zegelstempel plakken?
De lak is nog niet hard genoeg, of de stempelkop is warm geworden van het herhaald gebruik. Wacht daarom langer voordat je de stempel optilt, en til het recht omhoog.
Wat helpt:
- Leg de stempelkop tussendoor op een koelelement en veeg hem droog voordat je hem gebruikt.
- Gebruik niet te veel lak. Een dikke plas blijft langer zacht.
- Wacht na het gieten een paar seconden voordat je stempelt.
- Een heel dun laagje losmiddel, zoals siliconenspray, kan helpen.
Komt er toch een stukje mee? Laat de zegel helemaal afkoelen. Maak de stempelkop schoon voordat je de volgende maakt.
Hoe voorkom je dat embossingpoeder overal blijft plakken?
Strijk het papier vóór het stempelen in met een antistatisch zakje. Zo neem je de statische lading en het vet van je vingers weg, waar losse korreltjes aan blijven hangen.
Zo'n zakje is gevuld met een fijn poeder, vaak een natuurlijke klei. Een droog stofdoekje werkt ook redelijk.
Verder:
- Pak het papier bij de randen vast.
- Tik het overtollige poeder goed af.
- Veeg losse korrels met een fijn, droog penseeltje weg voordat je gaat verhitten.
Maïzena wordt vaak aangeraden. Het neemt wel huidvet op, maar of het tegen statische lading helpt, is niet duidelijk.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Waarom ziet mijn embossing er vettig uit of trekt het papier krom?
In beide gevallen heb je meestal te lang of te dichtbij verhit. Oververhit poeder trekt in de papiervezels en wordt plat en vettig in plaats van mooi bol.
- Beweeg de heat tool steeds heen en weer en stop per plek zodra het poeder glanst.
- Houd een paar centimeter afstand.
- Verwarm eerst kort van onderen en maak het daarna van boven af. Dat voorkomt kromtrekken.
- Dikker papier vervormt minder dan dun papier.
Is het toch krom? Leg het vel na het afkoelen een nacht onder een paar zware boeken.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Welk embossingpoeder kies je?
Begin met transparant, wit en goud of zilver. Daarmee kun je de meeste pagina's en kaarten af.
Let daarna op de korrelgrootte:
- Fijn of extra fijn poeder is voor gedetailleerde stempels, dunne lijnen en kleine tekst.
- Gewoon poeder is geschikt voor de meeste stempels.
- Grof of extra dik poeder geeft een dikke, glasachtige laag, vooral op grotere vlakken of in meerdere lagen.
Bij wit en metallic geeft fijner poeder een gladdere, beter dekkende laag. Er bestaan ook matte, glitter- en tweekleurige poeders. Die kun je later toevoegen als je weet wat je mooi vindt.
Lees ook: Warm en koud embossen: zo krijg je reliëf op je pagina
Hoe maak je een clear stamp weer klevend?
Was de clear stamp met lauw water en een beetje milde zeep en laat hem aan de lucht drogen. Daardoor verdwijnen stof, pluisjes en olie die de hechting verminderen.
- Raak de klevende kant zo min mogelijk aan met je vingers.
- Maak ook je acrylblok schoon met water en zeep, want vuil op het blok maakt de stempel losser.
- Wrijf niet hard, anders raakt het oppervlak beschadigd. Een zacht doekje of je vingers volstaan.
- Leg de stempel na het drogen terug op zijn dragerfolie.
- Gebruik geen alcohol of agressieve schoonmaakmiddelen, want die kunnen clear stamps dof en broos maken.
Plakt de stempel daarna nog steeds niet, dan is hij waarschijnlijk te oud of te vaak gebruikt. Zet hem dan eventueel vast met een stukje dubbelzijdig tape op het blok.
Lees ook: Stempels schoonmaken en bewaren zodat ze lang meegaan
Hoe orden je een grote verzameling stempels?
Sorteer je stempels op thema, zoals tekst, bloemen, dieren en seizoenen. Dan weet je waar je moet zoeken.
- Zet elke set in een eigen hoesje of map en maak een afdruk van de set op de voorkant, zodat je ziet wat erin zit.
- Bewaar per thema een map, doos of ordner.
- Houd een stempelboek of -kaartje bij met de afdrukken van al je stempels, op alfabet of thema.
- Bewaar de bijbehorende stansen bij de stempelset, dan blijft hij compleet.
- Zet een label op de rug of op de doos met de naam van de set.
Gebruik je sommige stempels vaker, leg ze dan op een plek binnen handbereik. De rest kan in de doos.
Lees ook: Stempels schoonmaken en bewaren zodat ze lang meegaan
Hoe blend ik inkt zonder strepen?
Gebruik weinig inkt tegelijk, werk in kleine cirkeltjes en bouw de kleur langzaam op. Strepen ontstaan meestal door te veel inkt of te hard drukken.
- Neem een blending tool met foam of een zachte blendborstel.
- Tik de inkt op het foam en begin naast het papier. Werk dan cirkelend naar binnen.
- Begin met de lichtste kleur en laat kleuren een stukje overlappen.
- Glad cardstock of aquarelpapier blendt mooier dan zacht, pluizig papier.
- Wil je een strakke rand? Dek een deel af met een plakbriefje of een sjabloon.
Werk op een gladde, afwasbare ondergrond, zoals een teflonmat.
Hoe stempel je met een waterverfeffect?
Breng distress-inkt of watervaste markers op de stempel aan, besproei het licht met water en druk het op aquarelpapier of dik wit cardstock. De inkt vloeit dan los uit, alsof je met waterverf hebt geschilderd.
- Massieve stempels lukken het best. Omlijnde motieven zijn lastiger.
- Gebruik twee of drie kleuren en laat ze op de stempel in elkaar overlopen.
- Spuit spaarzaam. Bij te veel water loopt alles uit.
- Stempel nog een keer zonder nieuwe inkt voor een zachtere tweede afdruk.
Wil je meer lijn? Stempel dan als de afdruk droog is een bijpassend contourstempel erover met waterproof inkt.
Hoe voorkom je dat papier golft bij verf en water?
Gebruik dik papier dat voor natte technieken is gemaakt en werk met weinig water. Dun papier zet uit als het nat wordt en droogt ongelijk op.
- Kies aquarel- of mixed-mediapapier met een hoge grammage.
- Zet het papier eerst in de gesso. Het wordt dan steviger en minder zuigend.
- Laat elke laag drogen voordat je verdergaat.
- Plak met droge lijm, zoals dubbelzijdig tape of een lijmstift, in plaats van met natte lijm.
- Tape een los vel rondom vast op een plank voordat je gaat schilderen.
Is het toch gegolfd? Leg het droog onder zware boeken. Strijken op lage stand met een doek ertussen kan ook helpen.
Wat is mixed media en hoe begin je ermee?
Mixed media betekent dat je meerdere materialen en technieken op één pagina combineert: verf, inkt, papier, stempels, sjablonen, pasta's en kleine voorwerpen. Er zijn geen vaste regels.
Een eenvoudige opbouw om mee te beginnen:
- Zet stevig papier of je journalpagina in de gesso.
- Maak een achtergrond met verf of inkt.
- Plak er een paar lagen papier overheen, zoals oude boekpagina's of knipsels.
- Voeg structuur toe met een sjabloon of stempel.
- Kies één blikvanger, zoals een foto of afbeelding.
- Werk af met pen, schaduwranden of kleine details.
Oefen eerst op losse kaartjes. Dan durf je meer te proberen.
Lees ook: Mixed media en gesso: zo begin je met verf, pasta en lagen
Hoe voorkom je dat verf onder een sjabloon loopt?
Zet het sjabloon goed plat vast en gebruik weinig verf of inkt. Vloeistof kruipt onder elke opening die niet helemaal aansluit.
- Maak het sjabloon vast met masking tape, washi tape of een spray met herpositioneerbare lijm.
- Tik de verf met een sponsje of blending tool van de rand naar binnen. Veeg niet.
- Neem eerst het overtollige af op een stukje papier.
- Strijk dikke pasta in één keer met een spatel over het sjabloon en til het dan recht op.
Maak het sjabloon meteen na gebruik schoon. Opgedroogde verf maakt het oppervlak ongelijk, en dan loopt het de volgende keer sneller onder.
Lees ook: Werken met stencils: inkt, verf en pasta zonder uitlopers
Hoe plak je een servet op je pagina?
Gebruik alleen de bovenste, bedrukte laag van het servet en plak die met decoupagelijm of verdunde hobbylijm op een lichte ondergrond. Een servet is doorschijnend, dus op donker papier verdwijnt het motief.
- Haal de witte lagen eraf en scheur of knip het motief uit. Een gescheurde rand valt minder op.
- Zet de ondergrond eventueel eerst in de witte gesso.
- Smeer lijm op het papier, leg het servet erop en strijk het vanuit het midden glad met een zachte kwast.
- Werk eventueel met een stukje plasticfolie ertussen. Dan scheurt het natte servet minder snel.
- Werk af met een dunne laag lijm erover.
Kleine kreukels horen erbij.
Lees ook: Decoupage met servetten: zo plak je zonder rimpels
Welke lijm gebruik je voor een collage en hoe sluit je die af?
Plak papier op papier met een lijmstift, witte hobbylijm of gel medium. Gel medium is een acrylmedium dat lijmt en beschermt. Secondelijm, tacky glue en hete lijm werken op papier slecht.
Voor zwaardere stukken, zoals knopen of karton, gebruik je dikke hobbylijm of glue dots.
Als de collage klaar is, kun je hem afsluiten met een dunne laag gel medium of verdunde witte lijm. Verdunde lijm is ongeveer één deel lijm op drie delen water. Zo raken losse randjes niet meer los en blijven nieuwe lagen beter hechten.
Hoe natter je werkt, hoe meer het papier golft. Breng dus dunne lagen aan en laat ze goed drogen.
Lees ook: Een collage maken in je journal die rustig en natuurlijk oogt
Hoe geef ik diepte aan mijn pagina met foamtape?
Zet één of twee elementen op foamtape of foamblokjes. Zo ontstaat er een echte schaduw en springt dat element naar voren. Als je alles verhoogt, valt het effect weg.
- Verhoog de titel, een klein cluster of één embellishment. Laat de foto meestal plat liggen.
- Wissel hoogtes af: plat, dun foam en dik foam naast elkaar geeft meer diepte dan alles op dezelfde hoogte.
- Stapel ook platte lagen, zoals een foto op een mat of meerdere stansvormen op elkaar.
- Zet bij grotere stukken ook foam in de hoeken, dan zakken ze niet in.
Let op de dikte in je album. Te dik werk drukt tegen de pagina ernaast.
Lees ook: Lagen en diepte op je pagina
Hoe snijd je zelf een stempel?
Je hebt een snijblok van zacht rubber en een set lino- of stempelgutsen nodig. Wat je wegsnijdt, drukt niet af.
- Teken je ontwerp met zacht potlood op papier en wrijf het met de tekening naar beneden op het rubber. Zo staat het vanzelf in spiegelbeeld, wat belangrijk is bij tekst.
- Snijd ondiep en altijd van je hand af.
- Begin met de omtrek en haal daarna de grotere vlakken weg.
- Vind je het ontwerp te fijn? Maak het iets groter, dan heb je meer rubber om mee te werken.
- Trek losse sliertjes rubber met je vingers weg of snijd ze af.
Maak altijd een proefafdruk voordat je oordeelt. Die valt vaak mooier uit dan het rubber doet vermoeden.
Hoe stempel je op lint, kraftpapier of hout?
Kies de inkt die bij de ondergrond past. Op lint, kraftpapier en hout werkt gewone dye-inkt meestal niet goed.
- Lint: gebruik textielinkt of pigmentinkt, en laat de afdruk goed drogen. Glad satijnlint geeft de scherpste afdruk. Kies je voor distress-inkt, dan kan de kleur uitlopen als het lint nat wordt.
- Kraftpapier: pigmentinkt of embossinginkt met poeder valt het best op. Dye-inkt trekt weg in het bruine papier.
- Hout: de meeste pigmentinkten werken goed. Schuur ruw hout licht, zodat de afdruk scherper wordt.
Wil je op stof, glas of metaal stempelen, kijk dan bij de vragen over stempelinkt. Probeer het eerst op een restje.
Lees ook: Welke stempelinkt kies je? Dye, pigment en distress uitgelegd
Kan ik zelf een sjabloon maken?
Ja. Snijd een vorm uit stevig, dun plastic of karton. Het binnenste stuk kun je ook bewaren: dat is je negatieve sjabloon, voor een silhouet in plaats van een gevulde vorm.
Geschikte materialen:
- Acetaat of andere doorzichtige plastic vellen, zoals een oude insteekmap of tabbladen.
- Een vel papier dat je door de lamineermachine haalt.
- Dun karton of cardstock. Dat is snel gemaakt, maar gaat minder lang mee bij natte verf.
Snijden kan met een hobbymes op een snijmat, met een snijplotter of met stansen in je stansmachine. Houd bruggetjes in letters zoals de o en de a heel, anders valt het midden eruit.
Lees ook: Werken met stencils: inkt, verf en pasta zonder uitlopers
Hoe zet je een geprinte afbeelding over op je pagina?
Dat kan met gel medium en een laserprint of kopie. Inkjetinkt laat meestal niet goed los. Print tekst altijd in spiegelbeeld, want de afbeelding komt omgekeerd op je pagina.
- Smeer een gelijkmatige laag gel medium op de ondergrond.
- Leg de print met de bedrukte kant erop en wrijf hem stevig aan, zonder luchtbellen.
- Laat alles helemaal drogen, liefst een paar uur.
- Maak het papier nat en wrijf het met je vinger voorzichtig weg tot alleen de inkt overblijft.
Wrijf rustig, anders verdwijnen er stukjes. Een verweerd, onregelmatig resultaat hoort bij deze techniek.
Hoe naai je op papier?
Met een naaimachine of met de hand. Met de machine gaat het sneller, maar papier vraagt wat aanpassingen.
Met de naaimachine:
- Kies een grote steeklengte. Kleine steken perforeren het papier zodat het scheurt.
- Naai langzaam en zet lagen vast met een lijmstift in plaats van spelden.
- Gebruik een aparte naald voor papier, want papier maakt naalden bot.
- Knip de draden lang af en plak ze aan de achterkant vast.
Met de hand prik je eerst gaatjes met een priem of naald, op een muismat of foam. Naai daarna met één of twee draadjes borduurgaren.
Hoe maak je nepsteekjes zonder naaimachine?
Teken korte streepjes met een fineliner of gelpen en prik aan het begin en eind van elk streepje een gaatje met een speld. Die gaatjes maken het effect geloofwaardig.
- Gebruik een liniaal voor rechte lijnen.
- De rechte steek en de zigzagsteek zijn het makkelijkst en staan het meest natuurlijk.
- Een witte gelpen op donker papier lijkt veel op echt garen.
- Voor een ronde zigzag zet je V-vormige steekjes tegen elkaar langs een cirkel.
Je kunt ook stempels of stansen met steeklijnen gebruiken. Een perforatiewieltje maakt in één beweging een rij gelijke gaatjes.